Fruitbomen snoeien

Als de vruchten van laagstamfruitbomen na een vijftiental jaar klein en schurftig worden, is dit een duidelijke aanwijzing dat de bomen best vervangen worden. Als dit probleem zich voordoet bij de vruchten van hoogstambomen, is de tijd rijp om de eerstkomende winter de bomen eens grondig te snoeien. Gouden stelregel hierbij is dat er voldoende zon en licht in de kruin moet vallen, zodat er in het voorjaar sterke bloembotten kunnen gevormd worden. Er bestaat immers een levensgroot verschil tussen goed gesnoeide en niet of slecht gesnoeide fruitbomen met betrekking tot de vruchtkwaliteit en de ziektegevoeligheid.

Bij de meeste fruitbomen ontstaan de vruchten uit bloemknoppen, ook botten genoemd. De vruchten staan vooral op korte twijgjes, de zogenaamde kortloten, en minder op de langloten. Veel kortloten op de boom betekent veel en klein fruit, tenzij we uitdunnen in de lente. Langloten zijn onvruchtbare twijgen en een groot aantal ervan is natuurlijk niet wenselijk. Kortloten worden gevormd bij zwakke groei en langloten bij sterke groei.

De snoei loopt nauw samen met de levensloop van een fruitboom: Een fruitboom moet de eerste jaren, tijdens zijn jeugdfase, sterk groeien om snel een voldoende grote kruin te vormen. De boom maakt dan automatisch weinig bloemknoppen. Later, tijdens de productiefase, mag hij niet te sterk meer groeien, zodat hij nieuw vruchthout en voldoende bladeren zou vormen. Er zijn immers voldoende bladeren nodig om de vruchten te voeden en de sapstroom door de boom te trekken. De zwakkere groei bekomen we door zo weinig mogelijk te snoeien, want snoei prikkelt de groei. Voornamelijk de langloten mogen niet ingekort worden. Groeien er toch te veel langloten op de boom, snoei de meeste en hou alleen deze met de goede richting over. Heeft men te veel kortloten op de boom, snoei er een flink pak weg. Kortom, een snelgroeiende boom maakt weinig bloemknoppen: een rijk bloeiende en vrucht dragende boom groeit bijna niet meer.

Uiteindelijk volgt de ouderdomsfase van de boom. Ondanks de snoei zal de boom nog weinig groeien. De boom produceert gestaag minder vruchten en begint af te takelen: zware takken breken af en de boom begint te rotten.

Ook de stand van de takken is voor de vruchtproductie van belang: verticale takken groeien veel en bloeien weinig; bij horizontale takken is het net omgekeerd Men kan dit euvel in juni verhelpen door eenjarige steile takken horizontaal uit te buigen, zodat ze het volgend jaar bloeien.

Wanneer moet er gesnoeid worden?
Het beste ogenblik voor de snoei is afhankelijk van de soort. Algemeen kan men stellen dat appelaars en perelaars in de winterperiode gesnoeid worden, maar niet tijdens vorstperioden. Jonge appelaars of perelaars (jonger dan vier jaar) snoeit men best in het voorjaar (maart/april). Doet men dit in december of januari, dan is de kans op vorstschade des te groter. Oudere appel- en perenbomen kunnen gesnoeid worden vanaf december tot maart. Zwakke groeiers snoeit men het eerst (in januari), omdat vroeg snoeien de groei bevordert; sterke groeiers snoeit men in maart, omdat laat snoeien de groei afremt. Om een betere vruchtzetting te bekomen, is een zomersnoei ook aangewezen (vanaf half juni voor peren en vanaf half juli voor appels). Dit brengt voldoende lucht en licht in de kruin en rond de vrucht. Steenvruchten zoals kersen-, perziken- en pruimenbomen worden veel minder gesnoeid. Het beste tijdstip om deze te snoeien is na de pluk in de late zomer. Hetzelfde geldt voor het meeste kleinfruit.

Verwaarloosde bomen
Als men plots tot het besef komt dat die oude, verwaarloosde fruitboom in de tuin eens deftig moet gesnoeid worden, dan loopt men het risico dat de boom zichzelf kapot gaat groeien door al die groeiprikkels die men hem geeft. Het is dus aangewezen om een meerjarenplan op te stellen voor het snoeien van verwaarloosde bomen. Veelal is het zelfs wenselijker om een aantal zware takken in hun geheel te verwijderen, dan vele kleine takjes weg te snoeien. Het is zelfs aan te raden dit te spreiden over zomer en winter om de sterke zomergroei wat te temperen. Dat komt de vorming van bloemknoppen het volgende jaar zeker ten goede. Inzicht in de onderdelen van een fruitboom bevordert de kennis van het begrip snoei :

  • De harttak: een dominerende en stevige tak die liefst vanuit de stam zo verticaal mogelijk groeit.
  • De gesteltakken: staan schuin op de harttak, liefst onder een hoek van 30°; het aantal varieert volgens de kruin; een ideale toestand bestaat erin dat men door snoei drie etages en een piramidevorm bekomt.
  • De vruchttakken: staan links en rechts op de verschillende gesteltakken; ze groeien ook onder een hoek van 30° en zoveel mogelijk weg van de gesteltakken, omdat ze anders met deze laatste concurreren; de bovenste groeien te sterk en de onderste te zwak, zodat het beter is om zowel de bovenste als de onderste te verwijderen; bij de korte snoei (dit houdt in dat men een korte vruchttak bekomt) bedraagt de afstand tussen elke vruchttak ca. 20 cm; bij de lange snoei (dit houdt in dat men een lange vruchttak bekomt) ca. 50 cm.
  • De verlengenis: een stevige een jarige twijg, die op het uiteinde van een gesteltak, de stam en/of de harttak staat; in de onmiddellijke omgeving ervan bevindt zich meestal een sterke twijg) die een ‘concurrent’ genoemd wordt.

Een fruitboom wordt doorgaans gesnoeid, opdat het licht alle delen van de boom zou bestralen. Ook zal de kwaliteit en kwantiteit van de vruchten positief beïnvloed worden. Zon laat de vruchten rijpen; zon en wind drogen snel de natte bladeren. Tevens zal de boom gezond blijven, omdat schimmelsporen minder kans krijgen om te ontkiemen. Een goede snoei verlengt tenslotte de levensduur van de boom.

Algemene richtlijnen bij de snoei van fruitbomen
Fruitbomen snoeien betekent dat de vormsnoei, of de onderhoudssnoei of de totale verjeugdiging wordt aangepakt.

De vormsnoei
Met de vormsnoei, tijdens de jeugdfase van de boom, wordt het geraamte van de kruin gevormd. We streven ernaar om zo goed mogelijk de piramidevorm te benaderen. Bijgevolg worden hier in hoofdzaak de eindtwijgen of verlengenissen van de harttak en de gesteltakken gesnoeid. Stevige, rechte takken worden bekomen door van de verlengenissen ongeveer 1/3 weg te snoeien, juist boven een goed zichtbaar oog. Voor schuinstaande gesteltakken staat dit oog naar onder gericht. De harttak moet hoger gesnoeid worden dan de gesteltak, om de vorming van een tweede harttak te vermijden. Verlengenissen van de gesteltakken worden langer gesnoeid dan de onderstaande vruchttakken om te veel vertakkingen te voorkomen. Juist onder de verlengenis worden de langloten weggenomen, omdat deze anders concurrenten vormen voor de verlengenis. De gesteltakken proberen we de juiste richting te geven. Het wegnemen van de langloten gebeurt: ofwel ruw = ’sleunen’ (bij een jarenlang verwaarloosde boom); ofwel fijn = vruchttaksnoei (bij een regelmatig gesnoeide boom).

De vruchttakken worden gevormd door goed gerichte langloten ongesnoeid te laten (de lange snoei) of in te snoeien tot ongeveer 10 a 20 cm (de korte snoei). Vruchttakken worden eveneens gevormd door het ongesnoeid laten van de langste kortloten, de ‘brindillen’ of twijgjes van 20 tot 30 cm lengte, en dit zowel voor korte als voor lange snoei. Op deze vruchttakken ontstaan dan het volgend jaar opnieuw lang- en kortloten.

De onderhoudssnoei
Zodra zijtwijgen zich op de gesteltakken ontwikkelen, start de onderhoudssnoei en deze wordt zo lang mogelijk aangehouden. Dit gebeurt voornamelijk tijdens de productiefase van de fruitboom. Pas als er te veel kortloten zijn, worden deze uitgedund. De langloten daarentegen worden weggesnoeid, tenzij ze aan het uiteinde van de vruchttak staan. Bovendien moeten de langloten ook nog in de goede richting staan; wanneer zij immers te verticaal groeien, zullen zij nauwelijks of geen vruchten produceren. Groeit de langloot in de gewenste, horizontale richting, dan noemt men hem de ’sappentrekker’ of verlengenis van de vruchttak. Elk jaar wordt de sappentrekker op het eerste zichtbaar oog naar onder gesnoeid (korte snoei) waardoor de vruchttak praktisch niet meer langer wordt. De korte snoei wordt enkel toegepast op perelaar, stekelbes, aalbes en rode bes. Bij lange snoei wordt de sappentrekker nog 1 tot 2 jaar ongesnoeid gelaten om de groeikracht te milderen en daardoor de vorming van kortloten te stimuleren. Er worden dan wel vruchttakken verkregen van 1 tot 2 m lengte. Zodra de betrachte lengte bereikt is en het aantal langloten op de vruchttakken niet meer vermeerdert, wordt de sappentrekker zoals bij de korte snoei op een oog gesnoeid. Een versleten vruchttak (na ca. vijf jaar bij appels) verjongen we door terug te snoeien op een jonge twijg; deze wordt dan een paar jaar ongemoeid gelaten.

Dit wordt aangewend om de boom opnieuw productief te maken. Dit wordt bereikt door de dikke takken tot op 1/3 van hun lengte af te zagen. Probeer de piramidevorm zo goed mogelijk te bewaren en laat zoveel mogelijk jonge takken ongemoeid. Het beste tijdstip hiervoor is vroeg in de winter. Hou er wel rekening mee dat de tak enkele jaren onvruchtbaar zal zijn. Bij steenfruit (pruim, kers, perzik) kan dit evenwel niet: deze soorten overleven een dergelijke, drastische ingreep nier. Wanneer de productiviteit achterwege blijft, zit er niets anders op, dan het aanplanten van nieuwe exemplaren.